Theater De Regentes

Grote Zaal in restaurantopstelling
.jpg)
Grote Zaal

Diepe
De studio

Entree
In opdracht van Theater De Regentes schrijven cultuurambassadeurs recensies over voorstellingen die in dit theater plaatsvinden. Erna Letsch neemt de flamencovoorstellingen voor haar rekening en Daniëlle Durst Britten muziek uit de Islamitische wereld.
Recensie “Missing Voices – MWMM” @ De Regentes, Den Haag, 26-04-2009
Teema Nederland, Marokko
Sarah Yaseed Groot Brittannië, Bengalen
Mizgin Denemarken, Turks-Koerdisch gebied
Shohreh Shahrzad Denemarken, Iran
Simona Abdallah Denemarken, Palestijnse gebieden
Bad Brya Nederland, Marokko
Een bewolkte zondagmiddag in Den Haag. De regen dreigt in de lucht als ik Theater De Regentes binnen loop. Later op de dag zullen zes moslima’s van diverse pluimage gaan optreden voor een ladies only publiek. Hun namen: Teema, Sarah Sayeed, Mizgin & Shohreh, Simona Abdallah en Bad Brya. Wat maakt deze zes vrouwen zo bijzonder? Geen van hen klinkt hetzelfde; noch zien ze er hetzelfde uit. Ze hebben ieder hun roots in diverse windstreken, maar wonen en werken in Groot Brittannië, Denemarken of Nederland. Ze verschillen qua leeftijd en levensverhaal. Dit hebben ze gemeen: ze zijn moslima, én muzikale performers en plein publique. En die combinatie is een ongewoon unicum.
Bij De Regentes druppelen de geïnteresseerde meiden en vrouwen van diverse achtergronden langzaam binnen. Het is een bont en vrolijk gezelschap.
De 28-jarige Fatima Ben Hamou, ook wel bekend als Pheebz, opent die middag de reeks optredens als host van het programma. Sinds kort is zij verbonden aan het Amsterdamse SJA Meidenplaza, de meidenafdeling van het Stedelijk Jongerenwerk Amsterdam. Pheebz staat daar onder andere bekend om haar danskwaliteiten, door de masterclasses breakdance die ze daar geeft. Pheebz is namelijk een zogenaamde breaker. Zij laat het publiek kennismaken met twee van de drie drijvende krachten achter het project “Missing voices - Muslim Women Music Makers”: Naz Koser van het Engelse Ulfah Arts, en Fatima Zahrab van de Deense Global World Music Venue. Door de vragen die Pheebz Naz en Fatima voorlegt, wordt het publiek nog eens duidelijk gemaakt wat de achterliggende gedachte van “Missing Voices” is. Dat is namelijk aandacht vragen voor het ongekende muzikale talent van vele moslima’s; een podium creëren waarop dit op geheel eigen wijze getoond kan worden, en het begrip en respect voor het talent van deze meiden en vrouwen in moslimkringen hiermee in positieve zin beïnvloeden. En dat is een hele uitdaging.
Publiekelijk zingen of muziek maken is voor moslima’s in de ogen van sommige moslimgeleerden namelijk not done, en eigenlijk haram, verboden. Dat heeft alles te maken met heersende opvattingen wat betreft de religieuze en culturele perceptie van de rol en plaats van de vrouw in de samenleving. Volgens sommige islamitische geleerden blijkt uit de Koran, de sunna (de gewoonten en gedragingen van de profeet Mohammed), en de ahadith (overleveringen) dat vrouwen hun stem niet onnodig publiekelijk mogen laten horen. Ze mogen zichzelf ook niet in de volle aandacht van onbekende anderen stellen door hun gedrag. Dit zou namelijk de aandacht afleiden van het hogere, en het zou mannen verleiden om oneerbaar naar de vrouw in kwestie te kijken. De vrouw die zich toch zo gedraagt wordt vaak door dergelijke geleerden afgeschilderd als hoerig en losbandig. De Britse Naz heeft daar echter hele andere opvattingen over -en daarin staat ze niet alleen.
Naz trof gelijkgestemde zielen tijdens de World Music Expo (WOMEX) 2007, in het Spaanse Sevilla. Haar ontmoeting met de eerder genoemde Deense Fatima en de Nederlandse Wijnand Hollander (Marmoucha) zou leiden tot de oprichting van het MWMM project. Met een bijzonder succesvolle internationale samenwerking tot gevolg: dit jaar vond op Internationale Vrouwendag, 3 maart, in het Deense Kopenhagen het eerste “Missing Voices” concert plaats onder de supervisie van Fatima. Nederland is het tweede land dat werd aangedaan, waarbij Alice Hulshof namens Marmoucha de organisatie in strakke banen leidde. In mei zal nog een serie optredens in Engeland volgen.
En dan is het tijd voor muziek! Maar wat nu, zien we daar een man het podium oplopen? Het is DJ Badashi, aka Benjamin Hamid. Haar in een knot, bril op zijn neus; hij ziet er hip uit, in zijn bruine overhemd. Ondanks het ladies only karakter van de middag is zijn aanwezigheid vandaag gewenst: hij staat namelijk tijdens de optredens van een aantal dames achter de draaitafel. En ach; bovenin de zaal blijken nog twee heren van het geluid te zitten. En wie zou toch die witharige man zijn die daar vooraan al foto’s neemt?
Een applaus klinkt als vervolgens na DJ Badashi de Nederlandse zangeres Teema uit de coulissen komt; wellicht een nieuwe diva van de Arabische pop. Ergens doet haar stem me denken aan die van Hind. Teema’s stijl wordt wel omschreven als een mengeling van jazz, pop, dance en Arabische moderne en klassieke muziek. Dat is echter pas sinds de laatste jaren. Van jongs af aan was Teema al met muziek bezig, maar met haar Marokkaanse achtergrond heeft ze in haar tienerjaren niet direct voor de hand liggende muzikale wegen verkend: ze was actief in het Gospel World Choir, en trad her en der op met de R&B band Damez. Toch besloot Teema om de Arabische muziek weer te omarmen. Dat was een goede keuze, want inmiddels is haar ster rijzende, en wordt haar laatste single “Tiggy tiggy” op de populaire muziekzenders van Egypte, Noord-Afrika en het Midden-Oosten getoond; Zoom Mazzika en MTV Arabia. De dames in de zaal komen pas los bij dat nummer, het derde en laatste nummer dat Teema zingt. Later ontdek ik dat host Fatima aka Pheebz met een aantal andere breakers uit de Amsterdamse breakdanceformatie Soul Warriors Crew in Teema’s officiële videoclip van dat nummer figureert.
De tweede ‘Missing Voice’ is die van de Engelse zangeres, producer en MC Sarah Sayeed uit London. DJ Badashi maakt zich alvast op om voor haar te draaien. Zo klein en tenger als ze eruit ziet wanneer ze opkomt, zo verrast ben ik als ze begint te zingen en te rappen –want wat transformatie vindt er daar op dat podium plaats! Sarah loopt heen en weer tussen twee microfoons, om te rappen in de ene, en te zingen in de andere. Ze ziet er lief uit, in mijn ogen. Maar haar paardestaart zwiept heen en weer met haar hoofdbewegingen, en haar ogen flitsen als ze zingt over de staat waar de wereld zich volgens haar in bevindt. Desondanks gaat het niet alleen maar over politiek; ze heeft het ook over spiritualiteit, medemenselijkheid, en herwaardering van het vrouwelijke. Haar teksten liggen goed in het gehoor, en zijn afwisselend scherp, confronterend en fel. Toch is haar stem als ze zingt ook beheerst, zacht en mooi; een apart contrast. Sarah heeft Indiaas-Bengaalse wortels, die ze af en toe laat terugkomen in haar muziek in de vorm van zang, samples en ritmes. Verder hoor je jazzy invloeden en vette hip hop beats.
Het publiek krijgt hele andere muzikale koek bij het derde optreden: het duo Mizgin en Shohreh. DJ Badashi verlaat het podium, en ik ben verbaasd als ik een prachtige vrouw vanuit de coulissen zie komen –in een rolstoel. Dat had ik niet gezien op de promotiefoto’s! Mizgin heeft een sterke, heldere stem, en is ongelooflijk vaardig op de saz. Op de website van Missing Voices lees ik later dat Mizgin werd geboren in een bergdorpje in Turks-Koerdisch gebied. Ze was 2 jaar oud toen haar benen gedeeltelijk verlamd raakten door polio; hierdoor groeide ze geïsoleerd op, en kon ze niet naar school. Om de tijd door te brengen leerde Mizgin zichzelf zingen en de typisch Turkse saz, een snaarinstrument, te bespelen. Op haar 18e vertrok ze naar Istanbul, en spoedig daarna naar Denemarken. In 2007 werd Mizgin verkozen tot Deense vluchtelingartiest van het jaar.
Collega Shohreh komt uit Iran. Shohreh is een veelzijdige vrouw. Ze gaf schilderles in Teheran, en volgde opleidingen tot grafisch- en industrieel ontwerper. In Denemarken is ze actief als multimedia designer en kunstenares. Shohreh bespeelt de daff, een grote scheldrum met ringetjes aan de binnenlijst, en danst daarbij op haar gevoel. Ze schrijft ook dromerige elektronische muziek. De combinatie van die drie dingen noemt ze Innin, en daarmee treed ze ook als zelfstandig performer op.
Als Mizigin begint met spelen en zingen, danst Shohreh met een witte sjaal het podium op. Als Mizgin feller speelt, en haar zang in intensiteit toeneemt, gaat Shohreh zitten en pakt ze haar daff.
Diverse Turkse meiden achter mij beginnen mee te deinen en mee te zingen bij een bekend lied; en tot groot genoegen van Mizgin, Shohreh en de andere dames in de zaal komen ze met wat gegiechel naar het podium, om op traditionele Turkse manier in een rij met de handen ineen naast elkaar te dansen. Als Mizgin en Shohreh na een luid applaus en veel blij gejoel het podium willen verlaten om de pauze in te luiden, weet Pheebz hen nog een gewaardeerde toegift te ontlokken.
Na de pauze is het de beurt aan de Palestijnse Simona Abdallah, die in 1979 werd geboren in Duitsland, maar in 1986 met haar familie in Denemarken terecht kwam. In het dagelijks leven werkt ze als psychologische coach. Simona besloot op haar 15e zichzelf te leren om de darbuka en andere Arabische percussie-instrumenten te bespelen. Percussie-instrumenten worden in de Arabische wereld meestal gezien als mannelijk, en worden daarom doorgaans alleen door mannen bespeeld. Simona, als professioneel percussioniste, is hierop een bijzondere uitzondering. Haar droom: een album uitbrengen dat een mix is van Westerse en Arabische muziek, met invloeden uit rock en house.
Haar grote ogen haken zich in die van het publiek, en het lijkt wel alsof ze dat doet als uitnodiging om toch vooral te komen dansen op haar soms traag plagende, dan weer opzwepende ritmes. Ze speelt haar eigen spel op diverse nummers, variërend van Egyptische buikdansmuziek tot Arabische house en dance. Achter me hoor ik gelach, gejoel, en protesterende opmerkingen. Dezelfde Turkse dames die eerder bij Mizgin en Shohreh een dansje waagden, durven nu kennelijk toch niet te gaan dansen. Ik kijk om, en zie veel meiden en vrouwen heen en weer wiegen met verlangende blik; maar niemand komt naar voren om te dansen. Dan schud ikzelf de schroom van me af, knoop mijn sjaal om mijn heupen, en probeer me te herinneren hoe ook al weer mijn heupen en schouders vrij spel te geven om te bewegen op deze heerlijke muziek. Het werkt, want ineens bevolkt een vijfde van de zaal het podium. Simona kijkt blij, en trommelt met verve verder.
Hekkensluitster is de Amsterdamse Maryam Merabet, alias de van oorsprong Marokkaanse MC Bad Brya. Vorig jaar bracht ze haar eerste album uit, “Voicemail”, dat goed ontvangen werd. DJ Badisha ontfermt zich nu voor de gelegenheid over haar tracks. Zodra Bad Brya uit de coulissen komt valt me direct op dat zij, net als veel van de artiesten vandaag, klein is van postuur, maar een ware transformatie ondergaat op het podium. Ik vind het fantastisch om te zien wat een pit er van die kleine jonge vrouw uit gaat. Zo hip hop als ze eruit ziet, en zo ruig als de eerste songs klinken; ik sta versteld over de inhoud van haar woorden. Net als bij Sarah Sayeed hoor ik maatschappijkritische geluiden, kreten om zingeving en universeel respect, en liefde voor de medemens. Ik geniet; en met mij de zaal. Twee volle moslimmeiden met hoofddoek staan heftig mee te hip hoppen aan de zijkant van het podium, en ineens is daar Pheebz, die onverwacht midden op het podium een staaltje breakdance weggeeft waar iedereen helemaal van uit haar dak gaat. Gefluit en jubelende zaghruta’s zijn niet van de lucht. Zal ik je eens wat zeggen? Bad Brya is good.
En wat betreft het “Missing Voices” project an sich? Hulde aan Ulfah Arts, Marmoucha en Global World Music Venue –en aan al die dames on stage in dit project, die zo een lans breken voor elke ongehoorde muzikale moslima.
Daniëlle Dürst Britt, 26-04-2009.
Met dank aan Theater De Regentes, en alle hierboven genoemde personen!
NB: De in de UK woonachtige zangeres Sarah Yaseen trad wegens omstandigheden niet op.
Een uitgebreid verslag van bovengenoemde optredens is terug te lezen via deze link.
***
Doce meses door primos del Norte
19 december 2008
Wat is de kracht van flamenco? Eén van krachten van ware flamenco is de oprechtheid die er van uit moet gaan om op een publiek over te kunnen komen. Daarin is de formatie Primos del Norte volledig geslaagd met hun CD/DVD presentatie, afgelopen 19 december in Theater De Regentes. Oprechte, mooie muziek van hun nieuwste CD Doce meses, op kunstige wijze vervlochten met de vertoning van oprechte en grappige beeldfragmenten van de gelijknamige DVD.
Doce meses betekent twaalf maanden. Erminia Fernández Córdoba bezong de twaalf maanden van een jaar met kristalzuivere stem, begeleid door even zo zuiver gitaarspel van Arturo Ramón en subtiele percussie van Udo Demandt. Primos del Norte vertolkt iedere flamencostijl met passende kracht en emotie. Córdoba heeft een prachtige, geschoolde stem die geen moment verveelt. Ze zingt iedere cante met veel gevoel en overtuiging, maar echt schitteren doet zij in de guajiras. Deze liedvorm behoort tot de cantes de ida y vuelta, letterlijk de liederen van komen en gaan, muziek met Latijn-Amerikaanse invloed. Deze cante is de van oorsprong Argentijnse Córdoba duidelijk op het lijf geschreven. Arturo Ramón en Udo Demandt begeleidden alle stijlen even soepel en aandachtig, met de seguiriyas "Se me fue en otono" en de tanguillos `El presumido` als hoogtepunten van deze avond.
Nog een kracht die flamenco zo interessant maakt: het is geen museale volksmuziek, maar een levende kunst die voortdurend in ontwikkeling is, zonder authenticiteit te verliezen. Ware flamenco is mooi. Zo hartveroverend simpel is het. De flamencogroep Primos del Norte en hun composities voor Doce Meses bewijzen dit. Alle composities zijn van eigen hand. In zijn toelichting op de CD-hoes verwoordt de vader van de gitarist, Adolfo Ramón, van wiens hand alle letras (teksten) van Doce Meses zijn, dit treffend: "Flamenco spreekt direct tot ons hart zonder omwegen (...) Het zijn twaalf eerbewijzen aan alles wat dierbaar is en dichtbij".
Erna Letsch
***
ROCIO MOLINA
Het Theater de Regentes was gelukkig goed gevuld, fijn voor een flamenco optreden, dat toch meestal het beste gedijt in “warme sferen”. De vijf muzikanten, zangers El Galli en Luis Moneo, gitaristen Paco Cruz en Manuel Cazás en percussionist Sergio Martínez, namen plaats op het toneel en zette een Tangos in. Tot zover was alles nog de gebruikelijke flamenco.
Maar vanaf haar eerste verschijnen vanuit de coulissen was Rocío Molina verrassend, en mijn verwachting van wat zou volgen was hooggespannen. Want als een flamencodanseres haar eerste passen op een toneel durft te zetten in een strak bruinleren pakje met minirok, stoere lange laarzen en haar haren los, dan moet zij op zijn minst veel lef hebben, maar vooral – hoop je dan – veel te zeggen hebben. Het enige wat ik vooraf over Rocío Molina wist, is dat ze in 1984 in Málaga ter wereld kwam, dus nog piepjong is. Toch heeft zij al heel wat prijzen in de wacht gesleept en toert rond met haar eigen programma, iets wat bijzonder is in de flamencowereld, op zo’n jonge leeftijd. In Spanje is zij op het moment een van de jongste flamencosensaties.
Maar haar leeftijd, dat kostuum, die lef, het zijn allemaal op zich toch niet de elementen die iemand perse tot een flamencosensatie maken. Wat dan wel? Het feit dat daar in Theater de Regentes vanaf het eerste moment een zeer zelfbewuste volwassen vrouw stond, die het publiek met een enorme overtuigingskracht wist mee te voeren in haar heel eigen en nieuwe flamencowereld. Zo vroeg ik mij die avond weer eens af hoe raadselachtig het toch is met de kunsten. Wát maakt dat iemand een groot en charismatisch kunstenaar of artiest is? De term X-factor is ons allemaal, na langdurige televisieterreur, vast wel bekend, maar de verklaring voor het bezit van dit vermogen is niet zo gauw gevonden. Soms zie je dansers waarbij je niet meer kunt stellen “dat zij dansen”, maar dat zij de dans zíjn. Rocío Molina is dans. Van top tot teen. Hoé zij het doet weet ik niet, maar door haar voortdurend originele koppelingen in bewegingen, ontstaat er een ongewoon geheel, dat echter geen moment als vergezocht – lees storend - overkomt. Zij bewijst dat zij, ondanks haar jonge leeftijd, over ieder onderdeel van haar kunst heeft nagedacht.
Haar kleding en losse haren vormden geen statement, maar dienden haar dans. Het effect dat het op mij had was namelijk dat zij niet zomaar uit de coulissen kwam. Nee, ze leek uit een steegje van Málaga te komen en haast onverwacht voor ons een Tarantos te dansen. De later plots tevoorschijn getoverde vingerbelletjes vormden niet zomaar een extra effect, maar leken bij haar Tarantos de toeschouwer wel opeens écht naar een ander tijdperk in oosterse sferen mee te voeren.
De vraag in welke volgorde de artiest de vernieuwing in zijn of haar kunst tot stand brengt is interessant. Is het de vernieuwing die als instrument dient voor de artiest, of is het de artiest die het instrument vorm tot de vernieuwing? Bij sommige artiesten voel je dat zij niet meer hoeven zoeken naar nieuwe wegen, maar al weten waar zij zijn en je dat laten zien. Rocío Molina is zo’n artiest.
Onder sterke begeleiding van beide gitaristen en de percussionist zongen Luis Moneo en El Galli een heel mooie Soleá por Bulería, gevolgd door een Alegría die Rocío Molina danste in een mooie sobere oranje jurk. Nu trof mij nu juist weer de eenvoud van haar kostuum, die haar dans opnieuw diende, als perfecte omlijsting van haar Alegría.
Pauzes zijn er niet voor niets. Ik moest even bijkomen van zoveel moois. Begeleid door Sergio Martínez vervolgden Paco Cruz en Manuel Cazás in een solo de guitarra en betrad Rocío Molina het toneel voor alweer een nieuwe verrassing.
Bij het klassieke Spaanse muziekstuk, dat na de eerste seconden van een compositie van Albéniz overging in een eigen compositie van de muzikanten, kwam ik intussen een stukje dichter bij de verklaring voor de verrassende uitwerking die Rocío Molina heeft. Zij gelooft zelf in álles wat zij ons laat zien. Iedere beweging van haar lichaam zegt iets, je ziet haar een verhaal vertellen. Het is absoluut intrigerend hoe iemand met zo weinig middelen, in een eenvoudige zwarte driekwart broek met sjerp om, als het ware de verleden tijden tot leven wekt, met dat palet een heel schilderij ‘kleurt’.
Mooi was ook de overgang naar een ingetogen Martinete van beide goede cantaores, waarna Rocío Molina tot slot een prachtige Soleá danste. Zij danste niet op de muziek, maar verweven mét de muziek, wederom in een jurk die de omlijsting vormde van haar ‘schildering’, waar na een toegift een volledig doorwarmd publiek de zaal verliet.
Het enige minpunt van deze avond was misschien wel dat de dansvloer te weinig geluidsversterking had, waardoor Rocío Molina over haar grenzen moest, om qua voetenwerk boven de begeleiding uit te kunnen blijven komen.
Na dit bijzondere optreden besefte ik weer eens dat de heersende vrees voor de teloorgang van de ware flamenco ongegrond is. Rocío Molina bewijst dat er altijd weer ware kunstenaars zullen zijn, die de vertolkers zijn van de essentie van de flamenco, en daarmee het voortbestaan van de flamencokunst garanderen.
Erna Letsch
***
Peinate tú con mis peines
Un homenaje a la reina del cante flamenco
Donderdag 19 april 2007
Over koninginnen gesproken…..
“Peinate tú con mis peines” was een hommage aan de koningin van de flamencozang, de Sevillaanse zigeunerin Pastora Pavón, bijgenaamd la Niña de los Peines, het meisje met de kammen. In een uitgebreid programmaboekje met liedteksten en uitleg viel te lezen dat Pastora Pavón (1890-1969) debuteerde als tienjarige, maar na ontelbare optredens de flamenco al in de veertiger jaren achter zich liet.
Doorgaans hebben flamenco-optredens met een thema niet mijn voorkeur. Vaak gaat daarin, door een te rigide vastgelegde choreografie, de voor flamenco zo nodige spontaniteit verloren. In “Peinaté tú con mis peines” bleek hier gelukkig geen sprake van. Integendeel, in het geheel overheerste ongekunstelde soberheid. Ook door de juiste afwisseling van ernst, vrolijkheid en ironie in de zang, dans en gesproken teksten, bleven opgeklopte pretenties achterwege.
Op het achterdoek werden de vertalingen van de teksten, gedichten en gezongen coplas (verzen) geprojecteerd. Dit bood een bruikbare ondersteuning en extra dimensie voor hen die de Spaanse taal niet of onvoldoende beheersen. Met name in de Alegrías en Tangos werden hierdoor de tegenstellingen in de emoties duidelijk. De naam “alegrías” betekent “blijdschap” en de gitaarmuziek klonk ook vrolijk, maar op het achterdoek viel te lezen: “Het doet me pijn als ik je zie – En nog meer als ik je niet zie – Ik ken geen vreugde meer – Als ik je naam niet hoor”……
Danseres Katerina Giannakopulou “La Greca” vocht zo hard om zich in de vertaling van deze paradoxale emoties niet op het verkeerde been te laten zetten, dat hierdoor die ultieme connectie tussen haar dans en de zang niet altijd tot stand kwam. Maar haar sierlijkheid was groot en daarmee haar dansstijl boeiend om naar te kijken. Bovendien is iedere serieuze uitvoering van flamenco door een buitenlander, die het niet zoals de Zuid-Spanjaard met de paplepel ingegoten kreeg, een grote prestatie. Daar is meer dan lef alleen voor nodig. Flamenco is een leerschool die een leven lang duurt; daarin heeft de jonge “La Greca” – van Griekse afkomst, maar opgegroeid in Duitsland – het sowieso al ver geschopt.
De grootste verrassing van de avond was cantaora Ana Gómez uit Cádiz. Vanaf haar eerste zang, een prachtige Peteneras, vulde zij de ruimte met haar stem. Absoluut adembenemend was haar vertolking van de Saeta, feilloos gezongen met een enorm volume en toch veel nuance, met grote kracht en concentratie. In Spanje wordt een Saeta gezongen tijdens de Semana Santa (de Goede Week) voor de voorbijtrekkende processies, onder begeleiding van omfloerste trommels. Hier was het slechts de majestueuze stem van Ana Gómez, die je als het ware uit het theater sleepte en temidden van de processies zette.
De Sevillaan José Ligero vertolkte met een aangenaam lichtschor stemgeluid met name de Martinete en Siguiriyas sterk en overtuigend en was qua capaciteiten zeker gewaagd aan Ana Gómez.
De gitaristen Raúl Cantizano en Alexander Gavilán begeleidden met vloeiend, harmonieus spel en lieten vergezochte acrobatische toeren achterwege. Vooral in hun solo, een Rondeña, bleek hun kunnen. Sevillaan Raúl Cantizano overtuigde met een ogenschijnlijk moeiteloze techniek en heel fijne speelstijl. Hij is als autodidact begonnen, maar heeft zich gespecialiseerd bij onder andere Manolo Franco, de meestergitarist die de Regentes vorig jaar nog met een optreden eerde. Alexander Gavilán’s wieg stond ooit in Duitsland, maar hij heeft zijn plaats in de flamenco inmiddels wel verworven. Dit wordt bevestigd door het feit dat hij sinds 2005 flamencogitaar aan het Rotterdams Conservatorium doceert.
Opnieuw het vermelden waard is de perfecte geluidskwaliteit van dit optreden. Het zal niet eenvoudig zijn geweest voor de geluidstechnici van de Regentes om via de hoofdmicrofoons het volume van vooral Ana Gómez goed weer te geven, maar dit verliep vlekkeloos.
Over koninginnen gesproken, “Peinate tú con mis peines” ging verder dan een hommage aan de koningin van de flamencozang, Pastora Pavón. Het was voor de gelukkige aanwezigen het bewijs dat er alweer een groot flamencozangeres klaar staat om een nieuwe troon te bestijgen.
Dus, flamencoliefhebbers, hou de flamencoprogrammering van de Regentes in de gaten!
Erna Letsch
****
Media Luna Flamenca
10 mei 2007
De doorgewinterde bezoeker van flamenco-optredens weet dat de vooraangekondigde artiesten niet altijd diegenen zijn die uiteindelijk op de bühne verschijnen. Soms te wijten aan de aard van de kunst en haar uitvoerders, verrassend en onvoorspelbaar in meer dan één opzicht, maar vaker te wijten aan de onvoorspelbaarheid van zoiets als de infrastructuur. Een groot voordeel is dat de flamencokunst gebaseerd is op zeer strikte vastgelegde muzikale regels, in combinatie met groot improvisatievermogen. Zodoende kunnen flamencoartiesten die elkaar - bij wijze van spreken - een uur voordien hebben leren kennen, theoretisch gezien toch feilloos samenspelen. Zolang zij zich maar houden aan de voornaamste voorwaarde, de ijzeren metronoom van het compás. Voor Media Luna Flamenca werd voor de verhinderde zangers Vicente Gelo en Amin Chacoo gelukkig bijtijds een volwaardige vervanging gevonden in flamencozanger Sebastián Cruz en de in Zuid-Spanje woonachtige Marokkaanse zanger en violist Mohamed El Akel. Gitarist Raúl Cantizano is de drijvende kracht achter Media Luna Flamenca. Met dit project bouwt hij een brug tussen de muzikale erfenis van de Arabische en Berberse Moren en de Zuid-Spanjaarden, twee culturen die vijf eeuwen geleden, ten tijde van Al Andaluz, één grondgebied deelden.
Voor gitarist Raúl Cantizano niets dan lof. Het publiek had hem al eerder kunnen bewonderen in Peinate tú con mis peines, afgelopen 19 april. Ook nu was het weer genieten van het hoge niveau van zowel zijn solospel als begeleiding. Uit zijn gitaar tovert hij prachtige diep gedragen tonen tevoorschijn. De flamencozang van Sebastián Cruz komt uit een geheel ander register. Door het met doordringende stem voortdurend op een hoog volume zingen, ontbrak bij hem de nuance en ogenschijnlijk ook de voeling met zijn letras. Want doorleefde flamencozang ontstaat niet door vocaal geweld, maar door de vertolking van emoties die communiceren en gedeeld worden met cuadro en publiek. Vertolking van dat aardse is misschien wel het belangrijkste aspect aan de “energie” die de flamencoartiest neer moet zien te zetten. Aan flamencodanser Felipe Mato was dat wel besteed. Zijn Siguiriyas, Tangos en Soleá por Bulería communiceerden wel en straalden kracht, concentratie en precisie uit. Zijn vele draaien waren geen toevalstreffers, maar technisch keer op keer zeer trefzeker uitgevoerde explosies van energie. Zijn vier ledematen tezamen vormden een ware `human beatbox'.
Interessante fusie ontstaat door de confrontaties en wisselwerkingen tussen die explosiviteit en ingetogenheid, waarin flamenco met Noord-Afrikaanse en Arabische muziek overeenkomt. Geslaagde fusie zie ik daar waar deze spanningsbogen optimaal worden opgebouwd. In Media Luna Flamenca was het vooral de uitgesproken expressiviteit van de flamenco onder begeleiding van het ingetogen Marokkaanse vioolspel en dito zang. Er werd pure flamenco vertolkt, zoals een Granaína, Debla en Farruca, maar ook flamenco vervlochten met Noord-Afrikaanse muziek. Zo werd bijvoorbeeld een Andalusisch volksliedje, “La Tarara”, ingezet als Tanguillo, een flamencovorm uit Cádiz, en ging over in een Arabisch volkswijsje. Het is geen gemakkelijke opgave om de onderling verschillende muzikale toonladders overeen te laten komen, maar al met al leverde deze Media Luna Flamenca toch zeker wel een hartverwarmende muzikale combinatie op, die volop oversloeg op het publiek. En dat met twee 'reservisten'.
Erna Letsch
***
Manolo Franco, de jonge Oude Meester
8 februari 2006
Ook al neemt het aanbod van flamenco in Nederland toe, daarmee is niet gezegd dat je vaak kunt vinden wat je zoekt. Er is flamenco in alle soorten, maten, vormen, stijlen en combinaties, waarbij zich bij mij de vraag in evenredig toenemende mate opdringt in hoeverre je voor bepaalde optredens nog kunt beweren dat het flamenco is.
Veel theaters doen hun concessies aan de commercie en programmeren al dat wat “ show”, “magisch”, “met Spaanse passie” en “vol vuur” heet te zijn en ondertussen trekt de flamencodans nog altijd het grootste aantal bezoekers voor deze kunst.
Maar op deze doordeweekse avond zit de zaal van Theater de Regentes nagenoeg vol, omdat men voor een Maestro komt; voor Manolo Franco Barón.
In 1984 won Manolo Franco op vierentwintigjarige leeftijd de prijs “Giraldillo del Toque” tijdens de “Bienal de Flamenco” van Sevilla, uitmuntend als begeleider van zang, dans en als solist, onder andere geprezen door niemand minder dan Paco de Lucia.
Naast (flamenco)gitaristen, gitaarbouwers en andere ‘aficionados’, was er heel divers publiek op dit optreden in de Regentes afgekomen; van jong tot oud, families, maar ook mensen alleen, die – zo ving ik op – speciaal waren gekomen voor deze grote gitarist, omdat zij hem al eens eerder hadden zien optreden en hem graag opnieuw wilden meemaken.
Manolo Franco Barón werd op 14 juli 1960 in Sevilla geboren en –zo werd geschreven door de Belgische flamenco-organisatie La Barraca: “het is best mogelijk dat hij op de wereld kwam met een gitaar, stevig in de armen geklemd”.
En zo zag ik het die avond ook; zijn gitaar leek meer een verlengde van zijn lichaam dan een instrument.
Na twee solo’s, een Granaína en Garrotín vol rust en sfeer, volgde een Fandango, gespeeld samen met Carmelo Picón.
Het was hoorbaar én zichtbaar zeer goed samenspel.
Niet eerder heb ik een gitarist zo intens en geconcentreerd aandacht zien hebben voor het spel van zijn ‘compagnon’; in opperste onderlinge communicatie leek dit het samenspel van de grootmeester met zijn voor hem volleerde leerling, en zowaar de prestatie van een vierde facet; Manolo Franco’s uitmuntende begeleiding van de gitarist.
In de Alegría begeleidden zij de zanger Sebastian Cruz en danseres Yolanda Lorenzo.
Zonder iets af te willen doen aan zijn kunnen, want hij zong goed, geconcentreerd en intens, maar een geluid wat normaliter door slecht afgestelde versterkers wordt veroorzaakt, werd nu geproduceerd door de kopstem van deze zanger, bijna een falsetstem, die mijn oren niet makkelijk binnen wilde, meer schel was dan rauw.
Yolanda Lorenzo danste zoals haar verschijning deed vermoeden; statig, zelfbewust, beheerst en zonder tierlantijnen.
Optreden voor een volle zaal is natuurlijk altijd plezierig voor artiesten, maar nog plezieriger is de wisselwerking met een zaal rijk aan ‘aficionados’; dit applaus komt van de kenners (en op de juiste momenten).
Na de pauze volgden een Taranto, nog een intense Fandango, een zeer snelle Guajira en Bulerias.
Tijdens deze Fandango barstte het plezier tussen beide gitaristen echt los en Manolo Franco’s gitaar werd nu een derde long vol wonderschoon voortgestuwde tonen.
De bewegingen van Manolo Franco’s rechterhand in de Guajira waren die van een kolibrie; te snel voor het menselijk oog om waar te nemen…
Het gezelschap sloot af met een Bulerías als toegift. Het publiek zag hoe uiterst bescheiden, haast verlegen Manolo Franco het applaus in ontvangst nam.
Daar stond een jonge ‘Oude Meester’ die nog altijd niet gewend lijkt dat hij toegejuicht wordt.
Dit was een ‘cuadro’ van ambachtskunst zonder effectbejag en zonder zucht tot imponeren.
Het was ‘gewoon’ zuivere flamenco met respect voor goed publiek.
Erna Letsch
***
Fadenco
16 december 2006
Geblust vuur
In een uitverkocht Regentes werd op zaterdagavond “Fadenco” ten gehore gebracht.
Zoals deze naam al doet vermoeden, de samenvoeging van de Portugese fado en Spaanse flamenco. Speciale gasten waren flamencozanger Carlos Denia Moreno en flamencogitarist Victor Rosinha.
Portugal en Spanje grenzen weliswaar aan elkaar, maar qua levensgevoel en de daaruit voortvloeiende kunstuitingen verschillen zij essentieel van elkaar. Sterk vereenvoudigd weergegeven overheerst in de fado de ‘eenduidige’ emotie: de melancholie, weemoed en het verlangen, terwijl flamenco uiting kan geven aan de aan elkaar tegenovergestelde gevoelens van blijdschap én verdriet op één en hetzelfde moment. Onder andere door de zogenaamde sonidos negros, specifieke donkere tonen die het basisgeluid vormen van de flamenco, kan een jondura (diepte) ontstaan, waardoor deze uiterste emoties op wonderbaarlijke wijze voelbaar worden, zowel voor de muzikanten onderling als voor het publiek.
Het is niet zo dat fado en flamenco daarom onverenigbaar zouden zijn, maar voor een geslaagde fusie is veel meer nodig dan twee mooie stemmen. Allereerst was de fado in feite geen fado in de traditionele zin van het woord, het heeft de aanduiding Fado Mundial gekregen. Mónica Triga schrijft haar eigen liederen en ontwikkelde vanuit de traditionele fado haar eigen stijl met invloeden uit andere muzieksoorten zoals de morna, montuno, baião, choro, kaseko en Portugese folklore. Mónica Triga is een zangeres die met een mooie stem vrolijke en trieste liederen uit een repertoire ten gehore brengt.
Ook hierin schuilt een verschil met de oorspronkelijke aard van flamenco: flamenco die ter plekke ontstaat, omdat de flamencozanger(es) die samenstelling van coplas (coupletten) voor de letra (tekst) van de cante (zang) kiest, waar de artiest op dat moment voor in de stemming is. Hierdoor ontdek je als publiek wat de artiest “bezielt” Daarom zal de vertolking van flamenco nooit een tweede keer hetzelfde zijn.
Afgezien van deze verschillen vond ik Carlos Denia Moreno boeiender om naar te luisteren, omdat zijn zang niet vrijblijvend is, maar volop aanwezig, op het dwingende af, omdat zijn flamenco de grenzen ter plekke opzocht.
Wie dat overigens ook deed was Fadenco’s pianiste Ferial Karamat Ali. Wonderbaarlijk hoeveel boeiender het Portugese aandeel werd als zij speelde. Behalve op piano, wist zij ook op het relatief eenvoudige instrument, de melodica, precies de juiste timing en sfeer te bepalen, net als Udo Demandt met zijn altijd perfect doorvoelde percussie. Maar helaas kreeg hun samenspel niet voldoende de kans en vrijheid, omdat het concept van Fadenco en het repertoire van Fado Mundial zich daarvoor niet leende. Hierdoor was er niet voldoende ruimte voor de aan strakke regels onderhevige improvisatie, alweer zo’n tegenstelling die flamenco nu juist zo boeiend maakt. Sterker nog, waar de Fado Mundial en de flamenco dooreen geweven werden ontstond een nogal ‘brijerig’ effect, waarin de piano en percussie gelukkig weer bijtijds eenheid wisten te scheppen.
Mede hierdoor ontstond er geen ware fusie tussen deze beide muzieksferen. Fadenco’s gitarist Hans van Gelderen en bassist Jerrel Seymonson waren vooral ondersteunend, flamencogitarist Victor Rosinha was zowel autonoom als in de begeleiding van Carlos Denia Moreno sterk. Al met al was het aandeel van flamenco gelukkig wel goed vertegenwoordigd, waaronder een mooie Alegrias, Vidalita en Tangos.
Jammer genoeg was de microfoon van Carlos Denia Moreno niet goed bestand tegen zijn volume en zat er teveel galm in die van Mónica Triga.
Ook al is het voor de stemming tussen de artiesten en het publiek plezierig als het komt tot meezingen en meeklappen met de Portugese folklore, flamenco echter verdraagt dit niet.
Erna Letsch
***
Concert India Martínez
29-04-2006
Rijzende sterren
Dat de flamenco traditioneel én springlevend kan zijn werd tijdens het optreden van India Martínez weer eens duidelijk.
Nog maar 20 jaar geleden werd Jennifer Jessica ‘India’ Martínez Fernandez in Córdoba geboren, kwam in contact met de flamenco als vijfjarige en was twee jaar geleden al veelbelovend. Inmiddels wordt zij aangekondigd als rijzende ster in de wereld van de flamencozang en niet voor niets, want waar menig flamencoliefhebber vreest voor het voortbestaan van de ware flamencokunst met respect voor de eeuwenoude traditie, bewijzen India Martinez en haar gezelschap dat deze vrees ongegrond is.
Dit gezelschap ofwel cuadro bestaat naast India Martinez uit haar ook al zo jonge vaste gitarist Ricardo Rivera, danser Alvaro Paños en percussionist Catumba. Deze nieuwste generatie koos niet voor de rumbas of het andere lichtere werk, wat haar vorig jaar uitgekomen debuut-cd Azulejos de lunares deed verwachten. Vanaf haar opkomst vanuit de coulissen weet India Martinez het publiek te boeien en te verbazen met haar vertolkingen van de veel moeilijker en zwaardere stijlen zoals de tonás, flamencozang zonder enige muzikale begeleiding. Hier is haar zang ook nog eens niet ondersteund door een microfoon, maar haar stemgeluid is genoeg ver-rijkend en doordringend dat je je gaandeweg het optreden afvraagt of een microfoon überhaupt wel nodig was. Verbazingwekkend hoe er in zo’n frêle lijfje zoveel longinhoud schuil kan gaan en hoe er uit zo weinig jaren zoveel gevoel en levenservaring kan doorklinken. Misschien is het de weerklank van Almería waar India Martínez vandaan komt, een dor en verlaten gebied, ook wel bekend als Andalusía tragica.
Maar deze jonge Andalusische beheerst niet alleen de cantes uit Almería, ook nam zij een dramatische soleá en siguiriyas en de feestelijker stijlen zoals alegrías, tangos en bulerías voor haar rekening.
Ook een rijzende ster is Alvaro Paños. Wat hij als danser op het eerste oog tegen lijkt te hebben, klein van stuk en iets gezet bleek één bonk energie en gespierdheid te zijn, waar van uit zijn voetenwerk zonder hapering minutenlang uiterst intensieve en complexe variaties bleven stromen.
Een genoegen dat deze danser van de nieuwste generatie het niet nodig heeft om dans te suggereren in plaats van te tonen en gelukkig ook vrij blijkt van vergezochte kleding en maniertjes. Zijn dans was zowel beheerst als wild en zijn voetenwerk zowel krachtig als verfijnd. Catumba vulde het geheel precies goed aan met zijn cajon – en djembé percussie.
Ricardo Rivera omlijstte de zang én dans soepel en speels en verspreidde vanaf het begin van de avond al de sfeer er veel zin in te hebben.
Dat zij optraden voor een wegens Koninginnedag helaas niet volle zaal deed niets af aan hun enthousiasme, want na een toegift volgde misschien wel het meest onverwachte van deze avond: Ricardo Rivera die, voordat hij een flitsende ‘danscompetitie’ aanging met Alvaro Paños, een lied aanhief, a palo seco, zonder zijn eigen gitaarbegeleiding. En zowaar, daar kwam die brok in de keel en de hoop dat het zaallicht niet té snel aan zou gaan….
Erna Letsch


Soefimuziek met Said Hafid